Mirea
Het 1e relikwie zal ik zijn.
Mirea hoefde hiervoor niet te zoeken in de donkere krochten van haar ziel. Het was zo helder als net bevroren ijs, en vers gevallen sneeuw.
Haar spiegelbeeld weerkaatste in de vijver. De vijver waar ze eens haar gouden bal verloor. De kikker, die zij prins zou kussen was de boodschapper die haar de weg terug zou wijzen. Met die gedachte troostte ze zich.
Het tweede relikwie zijn de broodkruimels die ik vind.
Ik zal ze opeten om mijn honger te stillen, en zo zal ik verdwalen. Ik zal alle kennis vergeten, niet meer weten welke boom ik passeerde, en wat de bladeren me toewuifden. In het geritsel hoor ik enkel mijn radeloze zoeken. Op een paddestoel in de verte hoor ik een klein kaboutermeisje zingen, en ik besef me dat ik haar ben. Dat ik zing, dat mijn keel klanken produceert.
En zo komen we bij het derde relikwie: Het roepen van mijn hart.
Ik zal leren om in de maan, het roepen van mijn hart te horen. Mijn stem zal schreeuwen in de nacht, en zingen als de zon schijnt. Ik zal leren. Van de eekhoorns die sparen voor de winter, en van egels die hun buikje vol eten. Van vogels, die enkel blijven daar waar overvloed is.
Het vierde de rust die ik zocht
In een onbewaakt moment. Ten midden van tierelantijnen en kermismuziek. Daar waar de zigeuners samen vuur ontstaken, en geluid me overschreeuwde, sloeg het toe. Een rups kroop over een blad, zoals zij dat doen in de lente.
Het vijfde zijn de vingers waarmee ik schrijf
Het instrument waarmee dit plaats kon vinden. Het hoe, van het waarom. Niet het wie, van het, het. De vingers en ze ringetingen over toetsenborden, Waar ze al gedoopt worden in inkt en veren. Daar waar ze wanden besmeuren met hopeloze kinderhanden. Waar vingerafdrukken sporen na laten van dat wat niet geschreven is. Het zijn de vingers waarmee ik de leegte klei,
Zes is het kristallen paleis waar ik eens woonde
Later hield ik er de wacht, toen men het wilde vernietigen. Nu wacht ik nog. Ik ben de stilte van een ijskristal. De warmte van vlammende kou. De boeken bewaar ik in mijn ziel. Ze staan in rijen dik achter de dikke muren van ijs. De sleutel heb ik om mijn nek gehangen. De rust van de bibliotheekbewaarder. Ik weet.
De boomhut is zeven
De ingang naar het kristallen paleis. Waar in het midden een ondergrondse gang gegraven is. De toegang naar. Maar laten we eerst spelen totdat we de tijd vergeten. Laten we tekenen en in slaap vallen. Slingers rijgen van de bladeren in het bos. Kom we gaan stampen in de plassen der vergetelheid.
Acht is het kind
Want een kind speelt dag en nacht. Zij springen en vliegen in armen. Zeggen goedendag vol enthousiasme. Zegt ik ga er weer vandoor hoor. Ik heb wat te spelen en ik zal nu springen als ik muziek hoor zingen. Acht is rode regenlaarzen, een gele regenjas. Vormpjes voor in de zandbak.
Negen zijn mijn lieve vrienden
De vereniging der zielen, die ik wilde ontmoeten, misschien wel blijven zelfs.
Tien is het houten rondje
Dat opeens opdook.
You are viewing the text version of this site.
To view the full version please install the Adobe Flash Player and ensure your web browser has JavaScript enabled.
Need help? check the requirements page.